De grondstoffen waar we niet zonder kunnen

Ze zijn een essentieel bestanddeel van onze smartphones, computers en tablets en zijn onontbeerlijk voor de omschakeling naar een klimaatneutrale samenleving. Onze economie kan niet zonder, maar de voorraad is beperkt en onzeker. Hoe komen we ook morgen nog aan voldoende kritieke materialen?

Kritieke materialen of Critical Raw Materials (CRM) zijn grondstoffen die tegelijk van levensbelang zijn voor onze economie, maar waarvan de bevoorrading allesbehalve zeker is. Het gaat bijvoorbeeld over lithium, dat in vrijwel alle oplaadbare batterijen zit, of het neodymium en dysprosium dat we gebruiken in de permanente magneten voor onder meer elektrische motoren en windturbines. Het probleem met kritieke materialen is niet dat ze zo nodig zeldzaam zijn, maar wel dat ze meestal maar door één of enkele landen ter wereld geproduceerd worden.

“De zogenaamde zeldzame aardmetalen zijn een goed voorbeeld”, vertelt Peter Tom Jones, director aan het KU Leuven Instituut voor Duurzame Metalen en Mineralen (SIM²). “Die zijn ondanks hun naam helemaal niet zo zeldzaam, maar sommige worden vrijwel uitsluitend geproduceerd in China. Vaak baten ze niet alleen de mijnen uit, maar gebeurt ook de raffinage van de ertsen tot bruikbaar materiaal daar. In de praktijk zijn we dan totaal afhankelijk van China voor levensnoodzakelijke grondstoffen. Als zij de kraan zelfs maar een beetje dichtdraaien, zoals in 2011, schieten de prijzen hier meteen de lucht in.”

Drie pistes naar zelfvoorziening

De Europese Unie definieert dertig verschillende materialen officieel als kritiek om de aandacht op het probleem te vestigen. Maar wat zijn onze concrete opties om daar iets aan te doen?

“Eigenlijk zijn er drie manieren om het risico op tekorten te beperken”, legt Jones uit. “De eerste is een alternatief zoeken, als dat überhaupt mogelijk is. Je kan bijvoorbeeld neodymium vervangen door koper om een ander type van elektrische motoren te maken. Maar daarvoor heb je dermate veel koper nodig, dat het binnen de kortste keren zelf op de lijst terechtkomt.”

“De tweede manier is recyclage, wat we in deze context wel eens urban mining noemen. Vlaanderen is op dat vlak koploper in Europa. De bedoeling is een circulair systeem op te zetten, zodat alle materiaal dat je importeert ook bruikbaar blijft. Maar de kostprijs van gerecycleerde materialen is door de band genomen hoger, zodat het moeilijk is voor recyclagebedrijven om de concurrentie aan te gaan met nieuw ontgonnen grondstoffen. En bovendien zit er nog niet voldoende materiaal in het systeem om onze toekomstige nood te dekken. Om de energietransitie te volbrengen, hebben we voor lithium alleen al meer dan 40 keer meer nodig in 2040 vergeleken met wat we nu produceren.”

“Helaas zal dus ook de derde piste nodig zijn: Europa moet zelf aan mijnbouw doen. Want de meeste kritieke grondstoffen hebben we hier ook, maar we ontginnen ze (nog) niet. Door ze van elders te importeren, exporteren wij de facto de milieuoverlast en de sociale uitbuiting naar de rest van de wereld. We moeten onze verantwoordelijkheid opnemen en zelf onze grondstoffen delven, op een ecologisch en sociaal verantwoorde manier. Omdat mijnbouw altijd een grote impact zal hebben, moeten we tegelijkertijd alles uit de kast halen om selectief inzamelen en recycleren te promoten.”  

Vroeg begonnen is minder ontgonnen

Er is dus potentieel voor Europa om een stuk meer zelfvoorzienend te worden, als we snel werk maken van de drie bovenstaande pistes. “Een circulaire economie start je niet op één dag”, zegt Jones. “We moeten nu ons systeem van inzameling en recyclage uitbouwen. Alleen zo zijn we klaar om op grote schaal te werken tegen 2030, wanneer de écht grote hoeveelheden aan lithium, kobalt enz. op ons afkomen.”

Foto: Nicolas Herbots

esc